Hoofdmenu

Taalles 2

 

Het voelt al wat vertrouwder als ik door het hek naar binnen ga. De beide portiers kennen mijn gezicht al en als ik mijn naam op de lijst gezet heb, krijg ik een bezoekerspasje. Er loopt nu niemand met me mee, ik weet de weg. Er is nog niemand van de “taalmensen” en in het COA-kantoor wordt me gevraagd om in de hal bij de balie te wachten op de coördinator. Die is er nog niet en na vijf minuten al voel ik me verloren in die grote ruimte. Pas later realiseer ik me dat als ik me al zo voel, hoe moet het dan wel niet zijn voor de mensen die daar verblijven…

Eindelijk... ik mag wat doen!

Eindelijk…. ik mag wat doen!

De afgelopen weken vond ik mezelf steeds meer een zeurend kind. Toe nou, ik wil wat, mag ik nou. Die grote aantallen aanmeldingen bij Rode Kruis, Vluchtelingenwerk, COA enzovoort, zijn behoorlijk vertekend vrees ik zo. Ten minste, als al die  andere mensen die wat wilden,  zich ook zo vaak hebben aangemeld. Ik heb mijn naam op menige site achtergelaten en er gebeurde helemaal niks!

Nou ja, dacht ik, ze hebben het veel te druk om vrijwilligers er bij te halen. Huh?

Over gelijk(waardig)heid

Een voorbeeld van een kleine dagelijkse pesterij!  Mijn kinderen gaan ’s middags na 3 uur, (voor dien tijd voor Joden verboden), groente halen, doch uitverkocht. De vrouw van de groenteman plukt echter wat jonge worteltjes in haar eigen tuin voor ons. De vrouw van een NSB-er ziet dit, eist ook jonge worteltjes, krijgt ze niet, gaat linea recta een klacht indienen bij burgemeester…….. een uur later worden bij mij thuis door de politie de worteltjes in beslag genomen! Was de ondergrond niet zo treurig, men zou er om moeten lachen! Uren zou ik door kunnen gaan met dergelijke ondervindingen, maar laat ik je dat besparen, het is voorbij………..

Bovenstaand fragment komt uit een brief, die mijn vader kort na de oorlog aan een vriend stuurde, die  voor de oorlog Nederland al verlaten had. Ik kreeg bij toeval deze brief in handen. Mijn vader deed hiermee een poging om uit te leggen hoe hij met zijn gezin de oorlog en de eerste tijd erna ervaren had.

Hoe help ik in Leeuwarden e.o. vluchtelingen???

 

Het is zondag, de weekendkranten zijn doorgewerkt. Ik heb weer veel gelezen over vluchtelingen. Mensen die nog onderweg zijn, sjouwend met kinderen, wachtend op perrons en bij grenzen waar ze niet over mogen. Politici,  die geen knopen doorhakken en maar praten, of niet praten en doorschuiven. Foto’s gezien, veel foto’s van verdrietige, onzekere en blije mensen. Verdrietig om wat ze missen. Onzekerheid, om wat hen te wachten staat en ook om wat er met hun geliefden gebeurt die achtergebleven zijn. Blijheid, omdat ze veilig zijn en hulp krijgen aangeboden van mensen die ze helemaal niet kennen, maar die hen welkom heten. 

Het NOS-journaal toont me beelden van steden in Nederland die noodoplossingen bedenken en er voor zorgen dat niemand buiten hoeft te slapen. Zo hoort dat in een vrij en welvarend land. Je helpt.

Vluchtelingen, het probleem is er, nu de oplossingen!

 

Zal ik of zal ik niet? Nog zelden heb ik zo lang getwijfeld. De kranten staan er vol mee. Kan ik dan nog iets toevoegen aan de discussies en berichten?  Het vluchtelingenprobleem, ik heb mijn lezers over minder belangrijke zaken lastiggevallen. Ik kan er ook niet omheen. Overal waar je met mensen spreekt, komt het ter tafel. En terecht, het is belangrijk genoeg.

Zoveel hoofden, zo veel zinnen. Macro of micro, ratio of gevoel. Ieder kiest zijn eigen uitgangspunt.