Hoofdmenu

Korte verhalen

28 september 1943, Amsterdam

In 1945 ging mijn broer, voor ons Isra, maar voor de meesten Vaz, toen veertien jaar, na zijn onderduikperiode weer naar school. Zijn eerste opdracht was: opschrijven wat hij meegemaakt had. Ik zal proberen zijn boekje te herschrijven. De feiten zijn authentiek, ik probeer zijn verhalen door te geven.

Flitsen voorbladAmsterdam, 28 september 1943

Eigenlijk begon de dag normaal, tenminste voor zover je het normaal kunt noemen dat je met man en kinderen verplicht op een etage zit in Amsterdam, te midden van vele lotgenoten.  De Duitsers hebben het nodig gevonden om ons hier allemaal bij elkaar te zetten. Kunnen ze ons gemakkelijker vinden als ze daar zin in hebben. Maar goed, om acht uur zaten we aan het ontbijt. Liesje aan haar bordje pap, Betty, Isra en wij aan een boterham.  Met de spullen van iemand anders….

Ik probeer er niet te veel aan te denken, dat we in het huis van Ies en Beppy  zitten. We leerden hen kennen in Soestdijk, daar woonden ze een tijdje bij ons. In 1940 verhuisden zij al naar Amsterdam.  Een half jaar geleden al weer, werden ze weggehaald, meer weten we niet. Waar zijn ze? Wat doen ze? Wat gebeurt er verder met ons? Antwoorden zijn niet voor handen. Bij de dag leven maar, niet te veel nadenken.

Om twaalf uur staat onze, eveneens joodse buurman, Bram aan de deur. Hij heeft gehoord dat er vanavond een razzia zal zijn. Angst is er altijd, maar echt paniek ontstaat niet eens meer, dit soort geruchten doen zo vaak de ronde.  Ben gelooft er niet in, maar ik begin toch maar weer met voorzorgsmaatregelen. Ik leg voor ons allemaal extra kleren klaar. Zet nog een knoopje aan Betty ’s rokje, pak extra sokjes in voor Liesje, stop een zakdoek in ieders jaszak. Het wordt al bijna routine.  Wat gesmeerde boterhammen in een zakje voor allemaal, je weet maar nooit.

Betty en Isra, tien en elf, begrijpen natuurlijk waar het om gaat.  Ze zitten op de joodse school en helaas, ze horen daar natuurlijk ook het een en ander. Elke dag zijn er wel lege stoelen. Liesje is met haar drie jaar nog te klein. We beloven haar dus maar dat we uit gaan. Wat moet een mens anders?

De dag duurt onvoorstelbaar lang. Ben lijkt rustig, hij is een trotse joodse man, hij heeft vertrouwen. Ik voel de spanning in mijn maag toenemen.  Maak me zorgen om de kinderen. We hebben allemaal kleren over elkaar aangetrokken, ik krijg het warm. Dan, om negen uur, wordt er op de deur gebonsd, Ben doet open, een officier van het Totenkopfkommando komt de trap op. In de kamer kijkt hij eens om zich heen, hij ziet de kinderen en vraagt dan, of hij wat te drinken kan krijgen. Betty haalt een glas water uit de keuken. Ik kan niets doen, voel me machteloos. Dan vraagt hij Bens persoonsbewijs. “Sind sie Juden?”  klinkt het. Bens stem klinkt vast als hij “ja” zegt. En dan, ik kan het bijna niet geloven, zegt de man “Sie können bleiben”.

Als hij weg is, staan we daar. Niemand zegt iets. De spanning breekt pas, als Liesje een keel opzet. Het arme kind is teleurgesteld, ik had haar een uitje beloofd.

 

Plaats reactie