Hoofdmenu

Politiek

Artikel 1

Rechtsongelijkheid, een raar woord, als je het goed bekijkt. Het zou over schoenen passen kunnen gaan, je rechtervoet iets groter dan de linker. Het kan ook met linkshandigheid te maken hebben natuurlijk. Ik als ervaringsdeskundige weet, dat bepaalde gebruiksvoorwerpen voor rechtshandigen gemaakt zijn. Misschien kun je er zelfs het ongelijk van Wilders mee aangeven. Maar daar gaat het niet over. Rechtsongelijkheid is een heel belangrijk woord, sterker nog, in onze grondwet wordt het in artikel 1 omschreven:

To be or not to be Charlie

To be or not to be Charlie

Iemand is op het idee gekomen, “Je suis Charlie”, bedoeld om aan te geven dat men voor vrijheid van meningsuiting is. Het werd gescandeerd, op posters en spandoeken meegedragen, in kranten afgedrukt en zelfs door politici uitgesproken. Wat een vondst! Iedereen liep er letterlijk mee weg.

Het vervolg van Charlie

Het vervolg van Charlie

Drie mensen maken zestien slachtoffers in minder dan twee dagen.  Overtuigd van hun gelijk. Voorbijgaand aan het gelijk én de levens van die anderen. Vrijheid van meningsuiting geldt kennelijk alleen voor de daders. Zij mogen anderen hun wil opleggen op een verschrikkelijke manier. Dat roept overal in de wereld reacties op. Allereerst het verdriet van de nabestaanden, niet alleen familieleden, maar ook collega’s. Politiemensen, journalisten, politici en mensen die zich betrokken voelen. En dat zijn er heel wat. De kranten staan er bol van.

 

Burgemeester Aboutaleb

Verschenen in Trouw, 13 januari 2015 

Aboutaleb heeft me uit de slaap gehouden vannacht. Niet dat ik hem dat kwalijk neem. In tegendeel zou ik zeggen. Van vele hooggeplaatsten konden we vernemen dat ze geschokt, dan wel diep geschokt waren. Ik neem dat direct aan. Zij zullen, zoals wij allemaal, dit oprecht hebben gevoeld. Maar niemand heeft me gisteren zo geraakt als de Rotterdamse burgemeester. De woorden die hij gebruikte, zijn lichaamstaal, zij spraken boekdelen.

Kleine kinderen

Als alle kleine kinderen lief zijn, waar komen dan toch al die nare grote mensen vandaan? Dát vroeg mijn vader zich zestig jaar geleden al af. En nog steeds is die vraag actueel.

Neem nou het volgende:

We schrijven 5 augustus 1958, het is geen mooi weer, een graad of vijftien en bewolkt. De Verenigde Staten gaan een satelliet om de maan sturen, de koninklijke familie zit in San Remo en de zeshonderdvijftig bewoners van Vlieland klagen, dat met 7000 gasten het eiland vol is.