Hoofdmenu

Van bastaardkind tot sterke vrouw en moeder

amrouche

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op 16 april 1946 schrijft Jean Amrouche zijn moeder een brief, waarin hij haar vraagt toch vooral het verhaal van haar leven vast te leggen “opdat het niet verloren gaat”.  Fadhma Aïth Mansour Amrouche is dan vierenzestig jaar, ze is geboren in Algerije, of beter gezegd, in Kabylië, het Algerijnse deel van de Maghreb, waarvan de bevolking voor een groot deel uit Berbers bestaat.  In de tachtiger jaren van de 19e eeuw is het leven zwaar en voor Fadhma geldt dat zeker. Haar moeder, die getrouwd was met een veel oudere man, wordt jong weduwe. Ze heeft twee kinderen en uit een buitenechtelijke relatie wordt Fadhma geboren. Het kind wordt in het door Berbers bevolkte dorp bespot en getreiterd.

“Ik zie een jongetje van een jaar of tien dat dieren opjaagt en een kindje, bijna een baby, bleek en roze, met blonde krullen, dat achter hem aan rent en roept: ‘Dhada, Dhada! – Grote broer, Grote broer!’ En daarna stilte. Meteen volgt een ander beeld, van een huis waar door een openstaande deur een strook zonlicht naar binnen valt; in dat licht staat een vrouw over een ontbloot kinderlichaam vol cactusnaalden gebogen. (..) Later begreep ik dat ik dat kind was.”

Om haar te beschermen brengt haar moeder Fadhma naar de Witte Zusters. Na een jaar haalt ze haar weer terug, omdat ze ook daar mishandeld wordt.  De mooiste tijd van haar leven beleeft ze, als ze wat ouder is, in een internaat. Ze leert er Frans, de taal waarvan ze haar leven lang zal blijven houden.  Voor haar huwelijk wordt ze gedoopt, aangezien haar toekomstige man katholiek is.

 Arm is ze en gevangen in het patroon van de strenge Kabylische traditie. Voor haar betekent dat geregeerd worden door familieverbanden, zichzelf wegcijferen, opdraven voor alles en iedereen. Een schoonvader die vier keer trouwt en het familiekapitaal erdoor jaagt en een schoonmoeder die ongenodigd bij hen in huis komt wonen en slechts rekening houdt met haar eigen behoeften.

“Soms, als de kinderen een muntje hadden, verkocht zij (de schoonmoeder) hun wat ze in haar koffertje verborgen hield: amandelen, dadels, walnoten of hazelnoten die we van vrienden hadden gekregen, want we konden ons geen vers fruit veroorloven.”

Acht kinderen worden er geboren, waarvan er in 1946 nog maar twee in leven zijn. Een groot deel van hun leven brengen ze in Tunesië door, waar vandaan het ene kind na het andere naar Frankrijk vertrekt. Aan het eind van haar leven vertaalt Fadhma, samen met haar twee overgebleven kinderen een groot aantal liederen en gedichten van het Kabylisch in het Frans.

Een autobiografie van het zuiverste water. Eerlijk, zonder enige mooischrijverij, maar ook  zonder verwijten of verontwaardiging. Het verhaal is niet spannend te noemen, niet opwindend. Je zou kunnen zeggen dat je als lezer soms ook even op de proef gesteld wordt, even moet doorbijten. Maar Fadhma Armouche is het waard, ze is een krachtige vrouw die accepteert wat het leven haar al of niet geeft, in een wereld die ons, Europeanen, volkomen onbekend is. Wie er voor openstaat, kan veel van haar leren.

Miriam Vaz Dias

Plaats reactie