Hoofdmenu

De lustziekte van een Goethe-bewonderaar

 Keesthart

Van 1585 tot 1811 had Franeker een gerenommeerde universiteit. Er studeerden beroemde mensen zoals de Franse filosoof Descartes en Pieter Stuyvesant, maar ook Eise Eisinga, de eenvoudige wolkammer die de stad een schitterend planetarium naliet. In de tijd waarin De ziekte van Weimar zich afspeelt, rond 1800, was de glans echter al wat afgenomen. De Franse overheersers hadden veel geld uitgegeven aan oorlogsvoering en de universiteit dreigde te worden gesloten.  

Albert van Huszen is commies van de pedel, niet bepaald een invloedrijk functionaris dus, maar plichtsgetrouw is hij wel.

Naast zijn baantje op de universiteit, geeft hij schaak- en dansles, schoonschrijven en Duits aan kinderen van professoren. Alberts belangstelling voor vrouwen is groot, al is hij ronduit stuntelig in de omgang met hen. Een en ander wordt vooral veroorzaakt door zijn ‘lustziekte’. Hij kan zomaar een zaadlozing krijgen bij het zien van een lokje haar of een ander onderdeel van het vrouwelijk schoon. Het maakt hem onzeker en verlegen. De kijk op mensen wordt in die tijd sterk beïnvloed door J.K. Lavatersideeën, over de fysionomie van de mens. Een gebogen wenkbrauw of een vooruitstekende kin, kan de eigenaar zomaar plaatsen in de categorie crimineel of melancholiek.  

Alberts kennis van het Duits brengt hem bij Goethe, in die tijd een man die tot ver buiten de Duitse grens hoog gewaardeerd wordt als schrijver en wetenschapper. Het lijkt of heel Franeker Die Leiden des jungen Werthers gelezen heeft. Al lezend raakt Albert ervan overtuigd dat Werther aan dezelfde kwaal lijdt als hij, en Goethe vast ook! (Het kan ook geen toeval zijn dat de verloofde van de vrouwelijke hoofdpersoon in Goethes boek ook Albert heet!)   

Als bekend wordt dat de universiteit financiële ondersteuning kan verwachten, wordt besloten dat een replica van een bijzonder standbeeld, dat Goethe ooit ontwierp voor zijn eigen tuin, ook in Franeker moet komen. In gezelschap van enige hoger geplaatsten van de universiteit, vertrekt de hoofdpersoon naar Weimar. Daar woont Goethe en men wil van hem toestemming voor het plaatsen van een replica. Voor Albert lijkt het dé gelegenheid om Goethe zijn probleem voor te leggen.  

Het idee voor dit boek kreeg de schrijver toen hij het beeld in de tuin van Goethe zag. Hij was er zeer van gecharmeerd. Het eenvoudige ontwerp, een kubus met daarop een bol, de verhoudingen zijn perfect en wat heel bijzonder is voor die tijd, er staat geen tekst op, geen ereteken van wat voor soort dan ook. Kees ’t Hart, groot bewonderaar van Goethe, benadrukt dit laatste element, het beeld straalt geen macht uit. Het is bijna een modern kunstwerk, zou je zeggen.  

We zijn al halverwege de roman, als men op reis gaat. Het tweede deel ademt dan ook een totaal andere sfeer. De reis met koetsen over hobbelige wegen door Pruisen is saai en lang.  Dat had de auteur vast ook wel op een andere manier duidelijk kunnen maken, zonder dat het verhaal zelf saai werd. Het verblijf in Weimar daarentegen, vormt het sterkste deel van het boek.  

De liefde voor de historie zit bij Kees ’t Hart diep en of het nou om Weimar gaat of om Franeker, het dagelijkse leven in de kroeg of bij Goethe thuis, je voelt je erbij betrokken. De tijd gaat langzamer, de mensen hebben ook meer geduld. Wie Goethe wil zien, staat rustig dagenlang te wachten op het voorplein. Passend in de tijd en kenmerk van de Romantiek is het dromen van andere landen en culturen en het vluchten daarin. Het bewonderen van grote geesten als de romanticus Goethe hoort hier ook bij.  

In een interview vertelt ‘t Hart dat hij nogal wat geschrapt heeft toen de roman gereed was. Dat had hij in het eerste deel nog wel wat uitvoeriger mogen doen. De verhalen over de zaadlozingen en zijn houding ten opzichte van vrouwen zijn wat te veel van het goede. Maar wie zich door het eerste deel heen gewerkt heeft, kan van het tweede nog genieten.  

Miriam Vaz Dias

Plaats reactie