Hoofdmenu

Blanco plekken in het leven, ingevuld met onzichtbare inkt

PatrickModiano

Wie eenmaal een boek van Patrick Modiano gelezen heeft, zal zijn hand herkennen in alle volgende romans. Want ja, hij heeft veel geschreven. Geen dikke pillen maar kleine juweeltjes. De straten van Parijs, vaak donker en nat, vormen het decor van zijn verhalen. In zijn dankrede in 2014, bij het in ontvangst nemen van de Nobelprijs voor de literatuur, gaf hij aan dat de hoofdstad van Frankrijk voor hem altijd de oerbron zal blijven, waaraan hij zijn bestaan dankt. In 1942 vonden zijn van oorsprong Belgische moeder en de uit Alexandrië afkomstige joods-Italiaanse vader er onderdak.

Bij Modiano is de hoofdpersoon meestal op zoek.

Hij zoekt in cafés, bioscopen of theatertjes naar schimmige personen of voorvallen uit het verleden. En toch, steeds is het weer anders, hij blijft boeien.

Ook in Onzichtbare inkt is de verteller, Jean Eyben, op zoek. Jaren geleden ging hij, als jonge man, op proef werken bij een detectivebureau. Hutte, zijn baas, vraagt hem om op zoek te gaan naar Noëlle Lefebvre, een jonge vrouw die in het niets verdwenen lijkt. Het verbleekte, lichtblauwe dossier dat hij krijgt, bevat niet veel meer informatie dan een identiteitsbewijs, waarmee hij naar het postkantoor moet, naar het poste-restanteloket om te zien of daar wellicht post voor haar ligt. En als hij met een oude bekende van haar naar haar laatst bekende woonplaats gaat, vindt hij daar een opschrijfboekje dat hij stiekem meeneemt. Het boekje blijkt eveneens meer blanco plekken te bevatten dan bruikbare informatie. De witte plekken vormen echter het thema van het boek, maar dan witte plekken in het leven, het verklaart ook de titel.

‘Het is net of alles er al stond, geschreven in onzichtbare inkt. Misschien zal alles gaandeweg op de bladzijden verschijnen, en zullen de vragen die ik me al zo lang over Noëlle Lefebvre heb gesteld en de reden waarom ik ze stel, dan eindelijk worden beantwoord en opgehelderd met de onweerlegbare precisie van een politierapport. En misschien zal het me ten slotte helpen mezelf beter te begrijpen.’

De hoofdpersoon is, zoals vaker bij Modiano, een buitenstaander. Hij spreekt mensen, ziet en observeert hen, maar echt contact is schaars. Van zijn eigen leven weten we dan ook niet veel meer dan dat hij uit de buurt van Annecy komt, waar ook Noëlle vandaan scheen te komen.

Patrick Modiano schrijft in een heldere stijl, er lijkt geen woord te veel te staan. De vertaler, Maarten Elzinga, voelt dit heel goed aan. Of Jean Eyben een betrouwbare verteller is, is minder duidelijk. Het laatste deel, dat in Rome speelt, kan evenzogoed een droom zijn, een wensdroom zelfs. Het komt surrealistisch over. Een andere wereld, waarvan de hoofdpersoon zou willen dat die bestond en dat zijn leven er zo uit zou zien. Die wensdroom is hem gegund, zeker als dat voor ons een mooie roman oplevert.

Miriam Vaz Dias

Plaats reactie